11 maart 2020

Samen aan het werk: in gesprek met Frank van Hout, waarnemend voorzitter van de MBO Raad

Als waarnemend voorzitter van de MBO Raad wil Frank van Hout de komende maanden onder meer het discussiestuk ‘Toekomst van ons Onderwijs’ over het voetlicht brengen. Hoe kijkt hij aan tegen de thema’s die voor het vmbo belangrijk zijn, zoals de doorlopende leerroute en de samenwerking tussen vmbo en mbo? ‘Het is belangrijk dat docenten met elkaar om de tafel zitten om methoden naast elkaar te leggen en over de aanpak te praten. Maar het gaat nu óók om de volgende stap: samen uitvoeren.’

Toekomst van ons Onderwijs

Frank van Hout is, sinds het vertrek van Ton Heerts in december, waarnemend voorzitter van de MBO Raad. Een nieuw gezicht? Nee, dat niet: Van Hout is al jaren lid van het bestuur en zal, als er een nieuwe voorzitter gevonden is, weer als zodanig verder gaan.

’We hebben gekozen voor een waarnemend voorzitter uit het bestuur omdat we continuïteit willen’, zegt hij. ‘We bevinden ons middenin een belangrijke fase. De MBO Raad is samen met andere organisaties net naar buiten gekomen met het discussiestuk Toekomst van ons Onderwijs, en we willen het mbo goed neerzetten richting de politiek. Ik bouw dus echt voort op wat we al aan het doen waren. De politieke partijen zijn hun verkiezingsprogramma’s aan het maken, dus nu worden de piketpaaltjes geslagen voor het beleid rondom onderwijs in de periode 2021-2025. Daar ben ik, ook al ben ik slechts waarnemend voorzitter, wèl mee bezig.’

Om welke piketpaaltjes gaat het?

Om te beginnen pleiten we ervoor dat leerlingen pas later, dus als ze iets ouder zijn, hoeven te kiezen voor het beroepsonderwijs of de academische route. En vervolgens ambiëren we een vorm van onderwijs waarin we de overgangen, bijvoorbeeld tussen vmbo en mbo, op een zo natuurlijk mogelijke manier laten verlopen. De ambitie is om de scheidslijnen zo dun mogelijk te maken en ècht stappen te zetten op het gebied van doorlopende leerroutes, zodat leerlingen en studenten hun talenten zoveel mogelijk kunnen ontwikkelen. Dat zeg ik met nadruk, omdat ik vind dat het echt beter kan.’

 Waar zit het probleem, als het gaat om die talentontwikkeling?

‘Het probleem zit vooral in ons systeem van diplomeren. Een leerling moet alle vakken op hetzelfde niveau volgen en examineren. Een advies voor een vervolgopleiding wordt dan dus in hoge mate bepaald door de vakken waar je het minst goed in bent, om het maar zwartwit te zeggen.
Als je moeite hebt met talen en juist veel talent hebt voor de exacte vakken, of net andersom, dan kom je in ons huidige onderwijsstelsel op een niveau terecht dat onvoldoende uitdaagt. Dan ga je al snel onderpresteren op de vakken waar je beter in bent, omdat er geen enkele beloning of stimulans is om daar meer te doen dan strikt noodzakelijk.
Dat uitstellen van het keuzemoment is een van de pijlers in Toekomst van ons Onderwijs, dat we overigens gepubliceerd hebben samen met het basisonderwijs, het voortgezet onderwijs, het hbo, wo en de kinderopvang. Ook alle leerlingen- en studentenorganisaties en een aantal vakbonden hebben eraan meegewerkt. We moeten echt samen nadenken over hoe we kunnen zorgen dat jongeren uitgedaagd worden om al hun talenten aan te spreken. Dat is in het huidige systeem nog zeker niet voor iedereen het geval.’

Vmbo-leerlingen raken soms gedemotiveerd als ze op het mbo voor hun gevoel terug moeten naar af. Doorlopende leerroutes lossen dat op. Dat ziet er op papier logisch uit, maar blijkt in de praktijk lastig te organiseren.

Het ís ook ingewikkeld om die doorlopende leerroutes te realiseren. De vmbo-scholen kunnen hun eigen keuzes maken, bijvoorbeeld in het aanbieden van profielen, en vervolgens komen leerlingen van een groot aantal vmbo-scholen naar één mbo-school. Stem al die onderwijsprogramma’s maar eens op elkaar af, dat is echt een uitdaging. Bovendien, goed leren samenwerken kost gewoon tijd. Maar dat ontslaat ons niet van de verplichting om daar stappen in te zetten en dat zo goed mogelijk te doen.’

Aan welke stappen moeten we dan denken?

Het is mijn overtuiging dat je dat die samenwerking het allerbeste tot stand kunt brengen door docenten in zo’n doorlopende leerroute echt samen te laten werken. Dus niet alleen rond de tafel gaan zitten, want dan is het alleen maar praten óver. Als schoolbegeleider kwam ik 25 jaar geleden al terecht in een project over doorlopende leerroutes vmbo-mbo, al heette het toen anders. Destijds was het vooral bureau-werk, het ging voornamelijk over de keuze van methoden.
Het is belangrijk dat docenten met elkaar om de tafel zitten om methoden naast elkaar te leggen en over de aanpak te praten. Maar het gaat nu óók om de volgende stap: samen uitvoeren.’

Behalve waarnemend voorzitter van de MBO Raad bent u ook bestuurder van het Friesland College. Hoe krijgt de samenwerking met het vmbo daar ‘handen en voeten’?

We hebben samenwerkingen waarbij mbo-docenten in het vmbo lesgeven. Of, bij technische opleidingen, waarbij vmbo-leerlingen de praktijkvakken in het mbo komen volgen. Met een aantal vmbo-scholen hebben we bijvoorbeeld afgesproken dat leerlingen die monteur willen worden, de praktijkvakken aan het eind van hun schoolperiode al bij ons volgen, bij onze docenten.
Je merkt dan ook dat het goed werkt: docenten van vmbo en mbo gaan elkaar door die samenwerkingen meer zien als directe collega’s, er wordt veel meer kennis uitgewisseld en het wordt steeds logischer om een doorlopende leerroute te realiseren. Er zit dan nog steeds een vmbo-diploma tussen, maar de overgang is wel geleidelijker.
Voor leerlingen is het grote voordeel dat ze kunnen ontdekken hoe het is om op een mbo-school les te krijgen. Het onderwijs heeft bij ons een andere context, zowel praktisch als inhoudelijk. Doordat we groter zijn, hebben we meer mogelijkheden om praktijklokalen beter in te richten, dus ze kunnen bij ons bijvoorbeeld werken met moderne apparatuur. Inhoudelijk is er ook een verschil: bij ons gaat het snel over de echte inhoud van een vak. Het is goed als leerlingen de kans krijgen om daaraan te wennen.’

‘Bij het vmbo nemen ze je bij de hand en op een groot mbo moet je ineens alles zelf uitzoeken en voel je je aan je lot overgelaten’, horen we wel eens.

Dat horen wij soms ook, maar het gaat echt te ver om te zeggen dat je bij ons aan je lot wordt overgelaten. Er wordt enorm geïnvesteerd in een goede begeleiding en veel mbo-scholen hebben de afgelopen jaren hun opleidingen kleinschaliger georganiseerd. Wij horen trouwens ook wel dat het vmbo soms moeite heeft met loslaten: veel leerlingen zijn gewoon toe aan de overstap naar het mbo.Uiteindelijk hebben we vanuit vmbo en mbo hetzelfde doel: zorgen dat de overgang geleidelijker wordt. Niet meer ‘lang bij de hand nemen en plotseling loslaten’, maar, net zoals bij opvoeden: weten dat je het uiteindelijk zelf moet gaan doen, en daarop gericht zijn. Dan moet er misschien in het vmbo iets eerder begonnen worden met ‘een beetje loslaten’. Dan kunnen wij als mbo ook zeggen ‘dan houden wij nog even een beetje vast’.
We komen er nooit als een van beide partijen op zijn handen blijft zitten en naar de ander blijft kijken om te veranderen. Verbetering is alleen mogelijk als we de handen ineen slaan.’

Wat is daarbij de rol van besturen? Er zijn veel initiatieven van docenten die een samenwerking opzetten, maar als dan een docent weggaat, stort alles in.

Ik denk dat borging vraagt om verankering op álle niveaus, dus op het niveau van bestuur, directie en docenten. Want je hebt gelijk dat samenwerking soms nog te veel afhankelijk is van een of enkele personen. Om dat te doorbreken, moet je pendelen tussen verschillende niveaus en daarin speelt het bestuur een belangrijke rol. Dus een bestuur moet zich geroepen voelen om te bewaken dat die samenwerking inderdaad plaatsvindt.’

25 jaar geleden waren we óók al bezig met doorgaande leerroutes, bevestigde u net. Wat is er nu anders waardoor we niet over 25 jaar weer terugkijken en zeggen: ‘Ja, maar nu gaan we het ècht doen?’

Ten opzichte van 25 jaar geleden hebben we veel meer ervaring opgedaan met samenwerking. Destijds ontstonden net de grotere mbo-scholen, ook vanuit de gedachte dat concurrentie de kwaliteit zou bevorderen. Intussen zijn we tot de conclusie komen dat het niet helemaal zo werkt. De kwaliteit van het mbo is uitstekend, maar dat is niet per se het gevolg van concurrentie. We zitten nu in een tijdperk waarin kwaliteitsverbetering veel meer gerealiseerd wordt door samenwerking.
Als mbo werken we vergeleken met 25 jaar geleden veel nauwer samen met het bedrijfsleven, met de overheden en met de rest van onderwijs. Dat stemt positief. Volgens mij gaan we de komende tijd echt dingen voor elkaar krijgen die lang op zich hebben laten wachten. Maar nogmaals, dat gaat alleen lukken als we vanuit zowel het vmbo als het mbo bereid zijn om over de eigen grenzen heen te kijken en die samenwerking te omarmen.’

Bent u optimistisch dat het gaat lukken?

‘Zeker ben ik optimistisch! We lopen in het hele onderwijsstelsel op een aantal punten tegen grenzen aan. We moeten bereid zijn om samen opnieuw te overdenken hoe onze verschillende onderwijsvormen opgebouwd zijn, hoe ze in elkaar zitten en zich tot elkaar verhouden.
Met het discussiestuk Toekomst van ons Onderwijs presenteren we een beroepsgerichte leerroute met ruimte voor keuzes, voor breder of smaller opleiden en alles eromheen. Ik hoop van harte dat het gaat lukken om met elkaar een gedeelde visie neer te leggen die kan rekenen op draagvlak in de samenleving. Dat zal niet lukken in de periode dat ik waarnemer ben en ook niet binnen een paar jaar, maar wel op termijn.’

Wat wordt de grootste uitdaging voor uw opvolger?

Het zal een uitdaging worden om het discussiestuk Toekomst van ons Onderwijs echt te laten uitmonden in een definitief stuk en dat net zo breed gedragen te houden als nu, en om daarbij ook naar het totaalbeeld te blijven kijken. Want als het een soort cherry picking wordt, waarbij de een hier iets wil proberen en de ander daar, gaat het niet lukken.
Dat betekent dat mijn opvolger iemand van de lange adem moet zijn, want het duurt zo een aantal jaar. Tussendoor moet je ook de stappen in de goede richting vieren, want anders heb je wel heel veel uithoudingsvermogen nodig.
Het gaat continu over aan de ene kant het beleid beïnvloeden, dat is ook waar de MBO Raad voor is, net zoals de andere onderwijsraden, en tegelijkertijd constant verbinding houden met wat het beleid betekent voor de uitvoering in de praktijk. En daarbij moeten we zorgen dat binnen mbo-instellingen en vmbo-scholen teams ruimte hebben om vernieuwing en samenwerking in de praktijk op te pakken en uit te proberen. Vanachter de tekentafel alleen krijgen we onderwijsvernieuwing onvoldoende van de grond.’

Dan kun je het wel bedenken, maar er gebeurt niets?

Dan gebeurt er weinig. Of je bedenkt dingen die in de praktijk niet blijken te werken. Als het gaat om vmbo en mbo, hebben we een periode van oefenen achter de rug. Daar moeten we wel van leren. Niet alleen maar denken in termen van stoppen of doorgaan, maar echt kijken: wat zijn de geleerde lessen en hoe kunnen we die toepassen, als het gaat om leren in context?’

 Wanneer gaat de vlag uit?

Als we een nieuwe voorzitter hebben! Maar als het gaat om samenwerking: de vlag gaat uit als alle vmbo- en mbo-scholen kunnen laten zien op welke manier ze bezig zijn met de verdere verbetering van de samenwerking. Als de landkaart gevuld is. En dat we niet alleen zelf zeggen dat het goed gaat, maar dat onze omgeving zegt: ‘Jullie zijn goed bezig’.’

Er zijn 61 mbo’s aangesloten bij de MBO Raad. Hoeveel zijn op dit moment echt bezig de samenwerking met het vmbo te verbeteren?

Moeilijk om er een getal aan te hangen. Ik weet dat vrijwel alle mbo’s wel iets doen, maar het gaat ook om de kwaliteitsslag. Hebben we goed in de gaten wat we precies aan het doen zijn, wat succesvol is en wat uitbreiding verdient?
Vanuit mijn rol als waarnemend voorzitter kan ik wel zeggen dat de kwaliteit van het bestuurlijk overleg tussen MBO Raad en VO-raad steeds beter wordt. Daarbij gaat het ook over de opbrengsten van het programma Sterk Beroepsonderwijs. We zien ook steeds meer regionale aanvragen voor projecten. Dat probleem waar we het net over hadden, ‘Al die vmbo-scholen, hoe kun je daar als mbo goed mee samenwerken en hoe kun je dat inregelen?’, dat wordt door die projecten wel bevorderd.’

Als er een nieuwe voorzitter aantreedt, blijft u bestuurslid van de MBO Raad. Waar staat voor u de stip op de horizon, als het gaat om het onderwijs?

Als je helemaal uitzoomt, is het belangrijkste dat mbo-studenten uitstromen op een voor hun passend niveau, dat we ze daarbij ook uitdagen om zo hoog mogelijk uit te stromen, en dat ze kunnen zeggen: “Ik heb een goeie tijd gehad op school, ik kan aan het werk, of door naar vervolg-onderwijs, en ik heb een houding ontwikkeld die me in staat stelt om op goed te functioneren, niet alleen op een werkplek en in de samenleving, maar ook als mens. Een houding die me, als het tegenzit, ook helpt om tegenslagen te overwinnen.”
Als we dát voor elkaar hebben, ben ik ervan overtuigd dat we ook een tevreden omgeving hebben, en tevreden bedrijven voor wie wij de mensen opleiden. Maar het begint bij de studenten. De lakmoesproef van het succes zit bij de jongeren die wij in onze scholen hebben.’

Tekst: Anne Wesseling

Discussiestuk

‘Toekomst van ons Onderwijs’ is een discussiestuk waarmee een coalitie van partijen oproept tot een brede dialoog over de toekomst van het Nederlandse onderwijs. Deelnemers aan de coalitie zijn AVS, FvOv, VO-raad, MBO Raad, PO-Raad, LAKS, Vereniging Hogescholen, VSNU, JOB MBO, CNV Overheid, CNV Onderwijs, Interstedelijk Studenten Overleg, Landelijke Studentenvakbond en Branchevereniging Maatschappelijke Kinderopvang. Het discussiestuk is gratis te downloaden.